Verduurzaming in optima forma: “Van ijskelder tot kraamkamer”.

Verduurzaming in optima forma: “Van ijskelder tot kraamkamer”.

In het 18e- en 19e-eeuwse Kennemerland waren ijskelders het summum van status en praktisch vernuft. Op buitenplaatsen als Kennemeroord, Duinlust en Elswout bouwden vermogende families deze ondergrondse bouwwerken om in de zomermaanden voedsel en drank koel te houden. Geen luxe zonder nut en omgekeerd. Op Kennemeroord is de originele koepelkelder nog altijd te bewonderen, met zijn karakteristieke getoogde ingang. Ook op Duinlust is de kelder bewaard gebleven, net als op Elswout, waar vleermuizen tegenwoordig dankbaar gebruik maken van het constante klimaat.

Maar hoe werkte dat eigenlijk, ijs bewaren zonder elektrische koeling? Zodra de vijvers in de winter voldoende bevroren waren, werd het ijs in grote blokken gezaagd en met haken naar de ijskelder gebracht. Daar werd het zorgvuldig gestapeld, laag voor laag, afgewisseld met stro of zaagsel als natuurlijke isolatie tegen smelten. Onderaan lag een houten vlonder, gemaakt van duurzaam eiken of lariks, zodat het smeltwater kon weglopen en het ijs niet vastvroor aan de vloer.

Wat deze ijskelders zo bijzonder maakt, is niet alleen hun bouwkundige schoonheid, maar vooral hun verhaal. Ze tonen hoe innovatie en esthetiek samenkwamen op deze buitenplaatsen. Vandaag de dag zijn het stille getuigen van een tijd waarin men het leven tot in detail vormgaf, van zichtlijnen in de tuin tot ijsblokjes in het zomerdrankje. En soms krijgen die bouwwerken zelfs een tweede leven, als kraamkamer voor vleermuizen of als verborgen parel langs een wandelroute.

 

Gerelateerde Nieuwsberichten

Een plek om de stad te ontvluchten: Leyduin

Een plek om de stad te ontvluchten: Leyduin

Sommige landgoederen lijken ouder dan ze zijn, andere blijken ouder dan we denken. Leyduin hoort bij die laatste categorie. De eerste vermelding gaat terug tot 1596, toen hier nog slechts een eenvoudige hofstede lag aan de rand van duin en veen. Wat daarna volgde was geen strak plan van één architect, maar een verhaal van opeenvolgende eigenaren die ieder hun eigen laag toevoegden. Soms bescheiden, soms ambitieus, maar altijd voortbouwend op wat er al lag.

Je moet ergens beginnen

Je moet ergens beginnen

Voordat een mens huizen leert waarderen, leert hij eerst kijken. Voor mij begon dat aan de Schreveliusstraat in Haarlem in de Rijksleerschool, die rond 1915 werd gebouwd als oefenschool bij de Rijkskweekschool aan de Leidsevaart. Ontworpen door de architecten J.F. Hamersveld en S. Roog, die duidelijk begrepen dat schoolkinderen niet zachtzinnig met een gebouw omgaan. Hardstenen trappenhuis en granito gangen die bestand moesten zijn tegen dagelijks gestamp, geravot en een enkele overenthousiaste gymtas.

Dit is pas vak werk

Dit is pas vak werk

Wie door het stadsdeel Petite France wandelt, dat tegenwoordig samen met de Grande Île een UNESCO-werelderfgoed in Strasbourg is, bemerkt meteen waar het woord vakwerk vandaan komt. Hier is het geen stijl, maar een ambacht. Houten balken, zichtbaar in het gevelvlak, vormen het skelet van het huis. Daartussen vakken van leem, kalk of baksteen. Wat ooit begon als een praktische bouwmethode (hout was overvloedig, steen schaars) groeide uit tot een herkenbare architectuur die hele straten karakter gaf.