Het Kinheimpark: een dorp in een dorp.

Het Kinheimpark: een dorp in een dorp.

Wie de Iepenlaan van Bloemendaal inrijdt, passeert de poort van het Kinheimpark. De gemetselde zuilen uit 1924 staan er nog altijd als stijlvol entree, een subtiele hint dat deze wijk een eeuw geleden iets bijzonders durfde te doen.

Want in een dorp dat bekendstond als exclusief villadorp, waar alleen de gegoede klasse zich een plek kon veroorloven, was het Kinheimpark een kleine revolutie. Hier kwamen huizen in Amsterdamse School-stijl mét rode bakstenen, erkers en een kap gedekt met pannen of riet, bereikbaar voor leraren, ambtenaren en middenstanders. In 1924 was de koop voor 6.000 gulden nét haalbaar. Al grapt een huidige bewoner: “Van mijn leraarsalaris zou ik me de koopsom van vandaag niet meer kunnen veroorloven”.

Het bijzondere van het Kinheimpark is dat de buurt in honderd jaar nauwelijks veranderd is. Niet alleen qua bebouwing, maar ook niet qua karakter. Nog steeds wonen er artsen naast ondernemers en creatievelingen naast leraren. Een dorp in een dorp, zoals architect Jacob van Aken en dichter A. Roland Holst al ontdekten toen zij er hun inspiratie vonden.

Zelfs de details dragen een glimlach: huisnummers 13 werden overgeslagen uit bijgeloof en de buurtvereniging met speeltuin is er nog steeds. Precies dát is wat deze buurt onderscheidt geen stenen alleen, maar samenhang en verhalen die blijven hangen.

Voor een makelaar is het bijna valsspelen: huizen met karakter, een buurtgevoel dat geen uitleg behoeft én een eeuw lang bewezen woongenot. In het Kinheimpark lever je niet zozeer een huis, maar een rol in een levend verhaal én dat verkoopt.

 

Gerelateerde Nieuwsberichten

Een plek om de stad te ontvluchten: Leyduin

Een plek om de stad te ontvluchten: Leyduin

Sommige landgoederen lijken ouder dan ze zijn, andere blijken ouder dan we denken. Leyduin hoort bij die laatste categorie. De eerste vermelding gaat terug tot 1596, toen hier nog slechts een eenvoudige hofstede lag aan de rand van duin en veen. Wat daarna volgde was geen strak plan van één architect, maar een verhaal van opeenvolgende eigenaren die ieder hun eigen laag toevoegden. Soms bescheiden, soms ambitieus, maar altijd voortbouwend op wat er al lag.

Je moet ergens beginnen

Je moet ergens beginnen

Voordat een mens huizen leert waarderen, leert hij eerst kijken. Voor mij begon dat aan de Schreveliusstraat in Haarlem in de Rijksleerschool, die rond 1915 werd gebouwd als oefenschool bij de Rijkskweekschool aan de Leidsevaart. Ontworpen door de architecten J.F. Hamersveld en S. Roog, die duidelijk begrepen dat schoolkinderen niet zachtzinnig met een gebouw omgaan. Hardstenen trappenhuis en granito gangen die bestand moesten zijn tegen dagelijks gestamp, geravot en een enkele overenthousiaste gymtas.

Dit is pas vak werk

Dit is pas vak werk

Wie door het stadsdeel Petite France wandelt, dat tegenwoordig samen met de Grande Île een UNESCO-werelderfgoed in Strasbourg is, bemerkt meteen waar het woord vakwerk vandaan komt. Hier is het geen stijl, maar een ambacht. Houten balken, zichtbaar in het gevelvlak, vormen het skelet van het huis. Daartussen vakken van leem, kalk of baksteen. Wat ooit begon als een praktische bouwmethode (hout was overvloedig, steen schaars) groeide uit tot een herkenbare architectuur die hele straten karakter gaf.