In welk café drink jij het liefst je biertje?

In welk café drink jij het liefst je biertje?

Haarlem heeft een rijke brouwtraditie als stad van bier en brouwers die teruggaat tot de Middeleeuwen. De stad beschikte over een belangrijke troef: zuiver duinwater. Dit schone water, afkomstig uit de omliggende duinen, was een essentiële grondstof voor bier en gaf Haarlem een voorsprong op andere steden. In de 17e eeuw telde Haarlem maar liefst 100 brouwerijen, waarmee het een van de grootste biersteden van de Nederlanden was.

Bier was in die tijd de standaarddrank, vaak zelfs veiliger dan water. Doordat het brouwproces het water verhitte en een laag alcoholpercentage had, was het minder vatbaar voor bacteriën dan het vervuilde oppervlaktewater uit grachten en rivieren. Het werd dan ook door jong en oud gedronken, in verschillende sterktes, van licht ontbijt- en tafelbier tot zwaardere varianten voor de avonden.

Bekende Haarlemse brouwerijen uit die tijd waren 't Hoefijzer, De Drie Leliën en Het Scheepje. Ze leverden hun bier niet alleen aan de lokale bevolking, maar exporteerden het ook naar andere delen van de Republiek. De bekendste bierstijl uit Haarlem was het Haarlems Koyt-bier, een stevig blond bier met een unieke kruidige smaak, dat volgens strikte regels werd gebrouwen.

Hoewel de meeste oude brouwerijen verdwenen, leeft de traditie voort. Moderne brouwerijen zoals Jopen hebben het ambacht nieuw leven ingeblazen, met bieren die verwijzen naar het rijke Haarlemse brouwersverleden. Een traditie die ooit de stad groot maakte, borrelt opnieuw op.

Onderstaande prent van de brouwerij 'De Drie Leliën' aan het Spaarne, gemaakt door Jacob Matham in 1627 toont een brouwerij in volle glorie en biedt een uniek inkijkje in het brouwersverleden van Haarlem.

 

Gerelateerde Nieuwsberichten

Een plek om de stad te ontvluchten: Leyduin

Een plek om de stad te ontvluchten: Leyduin

Sommige landgoederen lijken ouder dan ze zijn, andere blijken ouder dan we denken. Leyduin hoort bij die laatste categorie. De eerste vermelding gaat terug tot 1596, toen hier nog slechts een eenvoudige hofstede lag aan de rand van duin en veen. Wat daarna volgde was geen strak plan van één architect, maar een verhaal van opeenvolgende eigenaren die ieder hun eigen laag toevoegden. Soms bescheiden, soms ambitieus, maar altijd voortbouwend op wat er al lag.

Je moet ergens beginnen

Je moet ergens beginnen

Voordat een mens huizen leert waarderen, leert hij eerst kijken. Voor mij begon dat aan de Schreveliusstraat in Haarlem in de Rijksleerschool, die rond 1915 werd gebouwd als oefenschool bij de Rijkskweekschool aan de Leidsevaart. Ontworpen door de architecten J.F. Hamersveld en S. Roog, die duidelijk begrepen dat schoolkinderen niet zachtzinnig met een gebouw omgaan. Hardstenen trappenhuis en granito gangen die bestand moesten zijn tegen dagelijks gestamp, geravot en een enkele overenthousiaste gymtas.

Dit is pas vak werk

Dit is pas vak werk

Wie door het stadsdeel Petite France wandelt, dat tegenwoordig samen met de Grande Île een UNESCO-werelderfgoed in Strasbourg is, bemerkt meteen waar het woord vakwerk vandaan komt. Hier is het geen stijl, maar een ambacht. Houten balken, zichtbaar in het gevelvlak, vormen het skelet van het huis. Daartussen vakken van leem, kalk of baksteen. Wat ooit begon als een praktische bouwmethode (hout was overvloedig, steen schaars) groeide uit tot een herkenbare architectuur die hele straten karakter gaf.